www.f1-planet.com - Special: De Indy Formule

 

DE INDY FORMULE

 

       
 

Veel autosportevenementen hebben inmiddels een aardige traditie opgebouwd. Toch zullen de meeste nooit kunnen tippen aan de 'Grote Drie': De Grand Prix Formule 1 van Monaco, de 24 Uur van Le Mans en de Indianapolis 500. Alle drie staan ze in de komende weken op het programma; de laatst genoemde al op 25 mei. 

En hoewel Indy 500 en Formule 1 op het eerste oog behoorlijk van elkaar verschillen, zijn er meer raakvlakken dan alleen de snelheid. Diverse Formule 1-coureurs hebben er ooit hun geluk beproefd...

 

 

 

IndyCars en Formule 1 zijn letterlijk twee verschillende werelden. Buiten de zichtbare verschillen, zoals constructie en de circuits waarop wordt gereden zijn er tal van interpretatieverschillen. Het is dan ook niet voor te stellen dat de twee ooit samengebracht zouden kunnen worden. Zelfs nu Bernie Ecclestone zich gaat mengen in de CART Serie lijkt dat er niet van te zullen komen. Er is echter een tijd geweest, waarin de verschillen aanzienlijk kleiner waren en Formule 1- en IndyCar-teams samen uit kwamen in de Indy 500.

De prilste geschiedenis van de autosport gaat terug naar het begin van de twintigste eeuw. Zowel in Europa als in de Verenigde Staten bracht men auto's naar afgelegen terreinen om de limiet ervan op te zoeken. In de VS gebruikte Henry Ford een ovaalvormige baan nabij Indianapolis voor de ontwikkeling van zijn auto's. In 1904 zette hij daar het snelheidsrecord te land op 147,04 km/u met zijn Ford Arrow. Zeven jaar later was op diezelfde baan de eerste vijfhonderdmijlsrace een feit. De Indianapolis 500 groeide uit tot één van de meest prestigieuze sportevenementen in de Verenigde Staten.

Evenals in Europa legde de Tweede Wereldoorlog de autoracerij tijdelijk stil. Toen de bevrijding een feit was, kwam de autosport langzaam maar zeker weer op gang. In de VS werden de Indy Races hervat, terwijl in Europa het Wereldkampioenschap  Formule 1 werd opgericht. Aangezien de FIA een wereldkampioenschap beoogde, werd de Indianapolis 500 vanaf de start in 1950 onderdeel van het Wereldkampioenschap. Al snel bleek echter dat de deelnemende teams niet de behoefte voelden om in Indianapolis deel te nemen. De auto's verschilden aanmerkelijk van elkaar. De Indy's waren grote roadsters met vooral veel motorisch vermogen, terwijl de Grand Prix-auto's meer verfijnd waren. Zelfs als ze zouden willen, dan nog zouden ze worden weggevaagd door de Amerikaanse teams en bovendien werd het Indy racen, waar in die tijd al een gemiddelde snelheid van 200 km/uur werd gehaald, levensgevaarlijk gevonden.

Andersom sloegen de Amerikanen er nauwelijks acht op dat hun Indy 500 tevens onderdeel was van het 'Europese' Wereldkampioenschap. Doordat er geen sprake was van Amerikaanse deelname in de Grand Prix' vormde dit geen problemen. Desondanks hield de FIA Indianapolis tot 1961 op de kalender, omdat het feitelijk de enige race buiten Europa was en men anders de titel 'wereldkampioenschap' niet langer kon rechtvaardigen. Vanaf 1961 werd de Amerikaanse Grand Prix verreden op Watkins Glenn en was Indianapolis als schaduwrace op de kalender overbodig geworden.

Vreemd genoeg zouden Formule 1 en Indianapolis juist vanaf dat moment nader tot elkaar komen. De Amerikaanse economie was in de jaren '50 in een stroomversnelling gekomen. De commercie bloeide op en daar profiteerde de Indianapolis 500 van. In tegenstelling tot in Europa waren de start- en prijzengelden aanzienlijk bij de Indy 500 en dat trok de aandacht van een aantal Europese coureurs. De meeste verdienden net voldoende om ervan te kunnen leven. Alleen de echte toppers, zoals Stirling Moss en Juan Manuel Fangio, verdienden een riant salaris. Bovendien hadden de meeste coureurs een schuldenlast overgehouden aan hun eerste jaren in de autosport. Het startgeld van de Indy 500 werd dan ook gezien als  een welkome aanvulling.

In 1961 was Cooper met regerend wereldkampioen Jack Brabham het eerste team dat de grote oversteek waagde. Het lijkt nu onvoorstelbaar dat een kampioen zijn naam en faam zou riskeren voor zo'n wedstrijd, maar destijds geloofde Brabham in de door Cooper speciaal voor Indianapolis omgebouwde Cooper Climax. Zijn komst naar de Brickyard werd door de Amerikanen met hoongelach ontvangen. Dit zou echter snel omslaan. De Cooper FPF was in die tijd de eerste auto die deelnam aan de Indy 500, waarbij de motor achter de coureur was geplaatst. Dat daardoor een betere gewichtsverdeling kon worden bereikt, was in Europa inmiddels gemeengoed. In de VS reed men echter nog altijd met de motor voor in het chassis geplaatst. Jack Brabham zou de Cooper uiteindelijk op een mooie negende positie aan de finish brengen. De winnaar van die race, A.J. Foyt, moest zijn aanvankelijke scepsis daardoor terugnemen. Voorafgaand aan de wedstrijd had hij de Cooper nog een 'met kippengaas bij elkaar gebonden hoopje buizen' genoemd.

De komst van Cooper naar de Brickyard was overwegend succesvol gebleken en dat gaf voor andere teams de doorslag om ook een poging te ondernemen. De Amerikaanse coureur Dan Gurney overtuigde teambaas Colin Chapman deel te nemen aan de Indy 500. Chapman kwam op uitnodiging van Gurney naar de race in 1962 om de sfeer te proeven en ideeën op te doen. Chapman onderkende dat Brabham in 1961 veruit de hoogste bochtensnelheden had gehaald, omdat de auto veel beter was uitgebalanceerd dan de roadsters. Desondanks leken de Amerikanen geen aanstalten te maken om het concept te wijzigen en dus lagen er wel degelijk kansen voor Lotus.

In 1963 verscheen het team dan ook aan de start van wat door de Amerikanen nog altijd het 'Greatest Spectacle of Racing' wordt genoemd. Jim Clark en Dan Gurney bestuurden twee Lotus 29's, die uitgerust waren met een Fairlane V8. Daarmee kwam men weliswaar 80 pk tekort ten opzichte van de concurrentie, maar mede door de constructie van de wielophanging was de Lotus veruit de beste auto. De Amerikanen waren, zoals eerder, niet bepaald onder de indruk. Clark moest als nieuwkomer de 'Rookie test' ondergaan, ondanks het feit dat hij op dat moment fier aan de leiding stond van het Wereldkampioenschap Formule 1. 

Dankzij de veel zuinigere motor, die achterin de Lotus lag, kwamen Clark en Gurney na 64 ronden aan de leiding, maar die werd weer verloren door de onervarenheid bij de Lotus-crew bij de pitstops. Even leek Clark toch op weg te gaan naar de overwinning, toen de auto van Parnelli Jones olie begon te lekken. De chauvinistische wedstrijdleiding gaf hem echter het voordeel van de twijfel. Clark nam geen risico's en finishte op enige afstand als tweede. 

Een jaar later keerde Lotus vol overtuiging terug naar Indianapolis, maar het team zou er niet de verwachte successen behalen. Door een fout in de constructie van de Dunlop banden eindigde de wedstrijd voortijdig voor Jim Clark. Het loopvlak van de band had bovendien de wielophanging van naaste rivaal Bobby Marshman beschadigd, die daardoor ook uitviel. Lotus maakte zich daardoor niet populair bij de Amerikanen, die bovendien in rouw gedompeld werden door een enorme crash, waarbij twee coureurs de dood vonden.

Lotus had haar les dus wel geleerd in de eerste twee pogingen. Bij de derde deelname in 1965 was het team beter voorbereid op pitstops en had het betere banden tot haar beschikking. Deze keer hield niets Jim Clark meer van zijn Indy-overwinning af. De Lotus was in alle opzichten de meerdere aan de Amerikaanse creaties. Een aantal teams was tot de conclusie gekomen dat de oude roadsters niet meer voldeden. Zij kwamen met eigen creaties, de zogenaamde 'funny cars' in de hoop dat ze daarmee een nieuw benchmark zouden stellen voor de sport. Het echte benchmark was echter het Europese Team Lotus, dat met de winst van Clark ruim $166.000 opstreek.

In 1966 stond naast Lotus met Jim Clark en Graham Hill ook Jackie Stewart aan de start van de 500. Lotus had de winnende auto van 1965 doorontwikkeld. De race verliep voor Lotus echter niet zonder problemen. Zowel Clark als Hill ging ondanks de hernieuwde dominantie van Lotus, in de fout, waardoor de jonge Stewart de leiding in de schoot geworpen kreeg. Diens motor gaf er echter de brui aan, waardoor Graham Hill uiteindelijk een unieke zege zou behalen. Hij had de Indy 500  bij zijn eerste poging, als rookie, gewonnen. 

De Lotus dominantie werd in 1967 verbroken. Behalve Clark, Hill en Stewart waren ook Denny Hulme, de wereldkampioen Formule 1 van dat jaar en ook de latere F1-kampioen van 1970, Jochen Rindt naar de Brickyard gekomen. In die wedstrijd stond een andere latere F1-kampioen op pole-position: Mario Andretti. Andretti, van Italiaanse origine, was opgegroeid in de Verenigde Staten en was in 1965 gedebuteerd in de Indy 500. In dat jaar was hij al direct als derde gefinisht en werd hij verkozen tot Rookie of the Year. Sindsdien had hij echter veel pech gekend en was hij twee keer uitgevallen. Datzelfde overkwam hem in 1967 opnieuw, nadat hij vanaf pole position de leiding uit handen had moeten geven.

Hij gold als in die tijd als het grote talent van de Brickyard. En dat is veelzeggend, gezien het grote aantal jonge ambitieuze coureurs die er hun geluk en rijkwaliteiten wilden beproeven. Hij zou een jaar later op dominante wijze de Indy 500 op zijn naam brengen. Hij leidde 116 van de 200 ronden. In dat jaar was Jack Brabham met zijn eigen team teruggekeerd naar de oval, maar de Brabham Repco kwam qua vermogen tekort op de Indy's. Die haalden inmiddels gemiddelde snelheden van 280 km/uur en daaraan konden de Formule 1-motoren niet langer tippen.

Het betekende het einde van het Indy-tijdperk voor Formule 1-teams. Die hadden door de toenemende interesse van het bedrijfsleven ook niet langer behoefte aan deelname in de Indianapolis 500. De onderlinge verschillen waren te groot geworden en men besloot zich volledig op het Formule 1-kampioenschap te concentreren. Desondanks zouden er een aantal raakvlakken blijven: Mario Andretti zou na zijn enige Indy-zege in 1969 in 1978 het Wereldkampioenschap Formule 1 op zijn naam brengen. Emerson Fittipaldi maakte de omgekeerde stap. 

De Braziliaan had zijn actieve Formule 1-carrière, die hem twee wereldtitels opleverde, relatief vroeg opgegeven. Hij had zich gevoegd bij het team van zijn broer Wilson, Copasucar, maar dat project kwam nooit echt uit de verf. De verrassing was daarom groot toen Fittipaldi in 1984, vier jaar na zijn laatste Grand Prix, besloot deel te nemen aan de Indy 500. Die won hij in 1989 met het team van Roger Penske en hij werd daarmee tevens de eerste sporter die ooit meer dan $1 miljoen opstreek voor één evenement. De Penske werd overigens aangedreven door motoren van Ilmor, het bedrijf dat later aan de basis zou staan van de Mercedes-motor, waarmee McLaren en Mika Hakkinen de wereldtitel behaalden in de Formule 1. Fittipaldi herhaalde het kunststukje in 1993, op 46-jarige leeftijd. 

Twee jaar later bracht Jacques Villeneuve zowel de Indy 500 als het IndyCar-kampioenschap op zijn naam en dat vormde voor hem de opstap naar de Formule 1 bij Williams. De laatste die successen behaalde in de 500 was Juan Pablo Montoya. De IndyCar-serie was inmiddels opgesplitst in enerzijds de IRL en anderzijds de CART-serie. Montoya was in 2000 na jaren van rivaliteit tussen beide series de eerste coureur vanuit de technisch sterkere CART-serie die deelnam aan de Indy 500, wat een IRL-evenement was. Dat bleek dan ook wel tijdens de wedstrijd. Montoya leidde in de Ganassi Reynard 167 ronden en won met ruime afstand.

In datzelfde jaar werden de Formule 1 en Indianapolis herenigd. Voor de Amerikaanse Grand Prix werd een apart circuit gebouwd in het infield van de oval. Voor zowel de organisatoren als voor de sport was het uniek dat de Formule 1 na jaren weer terug was op de Brickyard. Indianapolis stond sinds het prille begin van het wereldkampioenschap weer op de Formule 1-kalender en nu konden de Formule 1-teams er niet omheen. Daarmee is het een unieke plek. Niet alleen vanwege de rijke historie, maar vooral omdat het al meerdere malen twee totaal verschillende werelden heeft samengebracht.

 

 

Al sinds 1911 wordt in Indianapolis jaarlijks de beroemdste vijfhonderdmijlsrace verreden.

 

 

De Indianapolis 500 stond in de jaren '50 ieder jaar op de kalender van het Wereldkampioenschap.

 

 

Start- en prijzengelden waren door de opbloeiende commercie naar Europese maatstaven aanzienlijk.

 

 

Twee grootheden  pionierden in de Indy 500: Jim Clark en Jack Brabham.

 

 

Cooper en Jack Brabham werden aanvankelijk met hoongelacht ontvangen.

 

 

Ondanks technisch overwicht zou Jim Clark de Indy 500 pas in 1965 op zijn naam brengen.

 

 

Een jaar later zette Graham Hill een unieke prestatie neer door als Rookie winnend over de streep te gaan.

 

 

Emerson Fittipaldi was  jaren na het beëindigen van zijn F1-carrière nog succesvol in de VS.

 

 

Juan Pablo Montoya was in 2000 de laatste van de huidige generatie F1-coureurs die de race op zijn naam bracht.