www.f1-planet.com - Special: De Vergeten Legende

 

DE VERGETEN LEGENDE

 

  Bijlage: De carrière van Jim Clark
       
 

Michael Schumacher lijkt met zijn overwinning in de VS op weg om zich met zes wereldtitels definitief te vestigen als meest succesvolle coureur aller tijden. Echter, die geschiedenis zou er wel eens heel anders uit hebben kunnen zien als niet, op een bewogen dag in april 1968, tweevoudig wereldkampioen Jim Clark zou zijn verongelukt op het circuit van Hockenheim. 

Vijfendertig jaar na zijn dood en exact veertig jaar na het behalen van zijn eerste wereldtitel is er weinig meer dat terugverwijst naar het talent en de successen van een van de meest begaafde coureurs die de sport gekend heeft. 

 

 

 

Wanneer het gaat om de geschiedenis van een sport wordt meestal verwezen naar de statistieken. Toch vormen de 'boeken' slechts het topje van de ijsberg. Statistieken vormen een aardige afspiegeling van wie er ooit succesvol zijn geweest in een sport, maar zeggen niets over de totstandkoming ervan. Sommige gebeurtenissen zijn van cruciaal belang voor het verdere verloop van de geschiedenis. 

Een van die gebeurtenissen vond plaats op de zevende april 1968 op het Circuit van Hockenheim. Vreemd genoeg was het in een training voor een Formule 2-wedstrijd dat de autosport een van haar grootste iconen verloor: tweevoudig wereldkampioen Jim Clark raakte in de bossen op raadselachtige wijze van de baan en verongelukte. Jim Clark gold, evenals Michael Schumacher nu, als het wonderkind van zijn generatie en was dat jaar op weg naar zijn derde wereldtitel. Zijn noodlottige ongeval kwam op het moment dat Team Lotus aan de vooravond stond van een lange periode van succes. Het laat zich voor altijd raden hoe de geschiedenis zich anders zou hebben ontvouwd...

Het zijn twee totaal verschillende, niet met elkaar te verenigen disciplines, maar toch prijken beide op het monument bij zijn laatste rustplaats in zijn woonplaats Chirnside, Schotland: 'Jim Clark, farmer en auto-coureur'. Het is tekenend voor de persoon Jim Clark; exceptioneel bevlogen in zijn passie voor autosport, maar daarbuiten wars van het uiterlijke vertoon dat er in zijn tijd in steeds toenemende mate mee gepaard ging. Na het racen trok Clark zich het liefst terug op het Schotse platteland en trok hij op met zijn collega's. Het was de tijd waarin coureurs elkaar op de baan tot op het bot bestreden, maar ernaast nog de beste vrienden waren. Een tijd, waarin de autosport echt nog gevaarlijk was en het vooraf niet zeker was of je het er aan einde van de race levend vanaf had gebracht.

Geboren op 4 maart 1936 in het Schotse Kilmany, was Clark voorbestemd om de farms van de familie voort te zetten. Hij was echter al vanaf jonge leeftijd geïntrigeerd door auto's. Hij twijfelde dan ook geen moment toen hij door een vriend werd gevraagd  om als co-driver op te treden tijdens een rallywedstrijd op de Great Glenn. Diezelfde vriend gaf hem de kans de Austin Healy zelf eens uit te proberen. Vanaf dat moment werd duidelijk wat een fenomenale wagenbeheersing de jonge Clark bezat. Het zou niet onopgemerkt blijven. Dankzij overwinningen in een Porsche Super 1600-wedstrijd op Chatterton en een indrukwekkende race in de Grand Prix de Spa, belandde hij in de Formula Junior met een Lotus 14 Elite. Het was op tweede kerstdag in 1958 op het circuit van Brands Hatch, dat Clark de ogen van autosport-minnend Engeland op zich gericht wist. Ondanks, dat hij slechts een privé-inschrijving had, wist hij de fabrieks-Lotus' lange tijd voor te blijven aan de kop van de wedstrijd om uiteindelijk als tweede te finishen.

Het trok de aandacht van Lotus-teambaas Colin Chapman, die even daarvoor zijn entree had gemaakt in de Formule 1. Hij gaf Clark de kans om een Lotus Formule 2 te testen. Die bleef ondertussen wonderbaarlijke rondetijden noteren in de Lotus Elite. Clark stapte een jaar later naar het team van Reg Parnell, dat in hem het talent van de toekomst zag. Het liep echter uit op een teleurstelling, waardoor Clark terugkeerde naar Lotus. Daar behaalde hij op dominante wijze het Britse Formula Junior-kampioenschap. Colin Chapman was overtuigd en wist dat er maar een manier was om dit jonge talent te behouden: Op 6 juni 1960 debuteerde Jim Clark op Zandvoort in de Formule 1.

Tijdens zijn debuutrace wist Clark zich, vanaf een elfde startpositie, al direct te meten met de top. Hij raakte in een spectaculair duel met zijn latere teamgenoot Graham Hill. Diverse keren remde hij de BRM-coureur uit in de Tarzanbocht, totdat hij moest opgeven met een kapotte versnellingsbak. Clark's eerste punten volgden in de volgende wedstrijd op Spa-Francorchamps, maar die wedstrijd werd overschaduwd door de dood van zijn teamgenoot Alan Stacey en Cooper-coureur Chris Bristow. In Portugal had Clark de Lotus 18 zwaar beschadigd tijdens trainingen. Desondanks wist het team de auto enigszins op te lappen voor de race. En hoewel de wegligging na het ongeval verre van optimaal was, wist Jim Clark hem toch naar een indrukwekkende derde plaats te loodsen; zijn eerste podium in de Formule 1. 

Hij had zijn naam gevestigd, maar besloot ondanks lucratieve aanbiedingen van andere teams toch bij Lotus te blijven voor het seizoen 1961. Tijdens een niet voor het kampioenschap meetellende wedstrijd in Pau behaalde Clark officieus zijn eerste overwinning. In het kampioenschap kreeg dit geen vervolg. De Lotus 21 kwam motorisch tekort ten opzichte van de Ferrari's en Clark kreeg binnen het team bovendien geduchte concurrentie van John Surtees. In Monza was hij direct betrokken bij het dodelijke ongeval van Ferrari-coureur Wolfgang von Trips. Clark en Von Trips raakten elkaar raakten elkaar, waarna de Ferrari in het publiek werd gelanceerd. Hierbij kwamen bovendien veertien toeschouwers om het leven. Het was een ongeluk dat diepe sporen zou nalaten bij de jonge Clark, die door de stewards als schuldige werd aangewezen, evenals een aantal coureurs na hem, een slepende juridische procedure moest doormaken. 

Voor 1962 stond Lotus er aanmerkelijk beter voor. Het team had de beschikking over een nieuwe Coventry Climax-motor. Chapman had bovendien de laatste hand gelegd aan een nieuw meesterwerk, een auto die de basis zou vormen voor de volgende generatie Formule 1-auto's: de Lotus 25 was de eerste auto met een monocoque en was daardoor aanmerkelijk smaller en compacter dan de concurrentie. Clark was onder de indruk van de stap voorwaarts die het team hiermee had gemaakt, maar het werd wel duidelijk dat het concept van zowel Lotus als Climax nog in de kinderschoenen stond. Clark viel diverse keren in kansrijke positie uit. In Spa bleef de auto heel en Clark pakte zijn eerste overwinning op dominante wijze met meer dan een halve minuut voorsprong. Zijn beste race dat jaar volgde echter in zijn thuis-Grand Prix op Aintree. Clark startte daar voor de derde keer dat jaar van pole, won de wedstrijd en zette op de top-3 na het hele veld op een ronde. Op de Nürburgring leek alles erop te wijzen dat hij dit kunststukje kon herhalen, maar bij de start besloegen de glazen van zijn beschermingsbril. Hierdoor vergat hij de benzineschakelaar en moest hij het complete veld aan zich voorbij laten gaan. Vanaf dat moment kwam echter de pure racer in hem bovendrijven: binnen 1 ronde van de ruim 22 kilometer-lange Nordschleife passeerde hij maar liefst zeventien auto's. Halverwege de race had hij zijn achterstand tot de leiders teruggebracht tot slechts veertien seconden, om uiteindelijk als vierde te finishen.

Jim Clark hield door dit resultaat nog uitzicht op het kampioenschap. Hij was in korte tijd gestaag opgeklommen in de gelederen van het kampioenschap en werd na zijn indrukwekkende races door velen als favoriet gezien voor de titel. Het was een druk, waar Clark nog niet eerder mee te maken had gehad en daarbij was Lotus technisch nog niet klaar voor de titel. zo zou blijken in Monza, waar Clark vanuit leidende positie naar de kant moest met een versnellingsbakprobleem. Een klinkende overwinning op Watkins Glenn ten spijt, de titel ging dat jaar naar Graham Hill. 

Voor 1963 stond Lotus er echter zeer goed voor. De successen in het voorgaande jaar hadden voldoende bewezen dat het team met de '25' de juiste weg was ingeslagen. Naast de Formule 1 had het team haar vizier ook gericht op de Indianapolis 500. Op voorspraak van Dan Gurney besloot Chapman twee Lotus 29 uit te rusten voor de roemruchte 500-mijlsrace. En met succes; de Lotus' waren superieur aan het Amerikaanse model auto's, maar het team moest wel ondervinden dat de Amerikanen zeer geslepen waren in het uitvoeren van pitstops. Clark finishte de wedstrijd als tweede, maar Lotus had duidelijk van zich doen spreken.

Na de teleurstellend verlopen race in Indianapolis had Clark ook in Monaco, bij de start van het Formule 1-seizoen, problemen. De versnellingsbak weerhield hem opnieuw in kansrijke positie van een glorieuze overwinning. Maar met zijn optreden in de straten van het prinsdom was de toon gezet: met grote overmacht won hij achtereenvolgens hij de Grand Prix' van Nederland, Frankrijk en Engeland. Niets kon Clark dat seizoen van de wereldtitel afhouden. Als er zich al een probleem voordeed, dan paste hij zijn rijstijl zodanig aan, dat hij de Lotus toch aan de finish kon brengen. In Monza kon hij de kroon op het werk zetten, maar kende hij een ongewoon moeizame start van het weekend. Door een mechanisch probleem moest Clark de race aanvangen met een nog niet getest motorblok. Desondanks ging hij het duel aan met de Ferrari van John Surtees. Na een heroïsche strijd moest ook Surtees zich gewonnen geven. Clark won voor de vijfde maal dat jaar en was daarmee was hij officieel wereldkampioen. Ook de twee laatste twee wedstrijden, in Mexico en Zuid-Afrika werden door Clark op zijn naam gebracht en was tevens de eerste constructeurstitel voor Team Lotus een feit.

De concurrentie echter had niet stil gezeten: zowel Ferrari als BRM hadden zich sterk verbeterd. Nadat er kortstondig sprake van was geweest dat Lotus aan de start zou komen met Honda-motoren, werd duidelijk dat Colin Chapman het risico niet wilde nemen en vasthield aan het concept van Climax. De nieuwe Lotus kampte echter met een hardnekkig onderstuur. Clark wist zich hier, door het aanpassen van zijn rijstijl, opvallend goed tegen te wapenen, maar hij verloor er te veel tijd mee. In Monaco wist hij desondanks lange tijd de wedstrijd aan te voeren, tot het moment dat een kapotte rollbar hem terugwierp. In Zandvoort was er weer iets terug van de glans van het kampioensjaar. In de duinen lag de Lotus aanmerkelijk beter op het wegdek, waardoor Clark onbedreigd zijn eerste seizoenszege kon pakken. Na België wist hij opnieuw zijn thuis-Grand Prix te winnen, maar vervolgens werd de Lotus 33 geteisterd door mechanische pech. In drie opeenvolgende races viel Clark uit, waardoor hij zijn titelaspiraties voor dat jaar moest opgeven. 

Ook in de andere klassen had Clark dat jaar weinig succes. In Indianapolis was Lotus opnieuw sterk, maar waren problemen met de banden debet aan het voortijdige uitvallen. In de Formule 2 was hij lange tijd verwikkeld in de strijd om de titel, maar in de laatste wedstrijd ontging die hem door een rijdersfout. 

Evenals daarvoor had Lotus belangrijke lessen getrokken uit de decepties. Voor 1965 had Chapman de Lotus 33 grondig herzien en het hardnekkige overstuur door verbeteringen aan de wielophanging weten te verhelpen. Het potentieel, dat er in 1964 wel was geweest, in 1965 worden verwezenlijkt. Clark kwalificeerde zich, ondanks de tegenstand van Surtees, Hill en de jonge Jackie Stewart, alle wedstrijden vanaf de eerste startrij en behaalde zes opeenvolgende overwinningen. En daarmee was hij opnieuw al na de Grand Prix van Italië kampioen. Wederom was het Formule 1-seizoen slechts een van de vele klassen waaraan Jim Clark deelnam: Hij nam deel aan de Formule 2, waar hij eveneens de titel voor zich opeiste, reed in een aantal touringcar wedstrijden en deed gedurende de Europese winter traditioneel mee aan de Tasman Cup in Australië en Nieuw Zeeland. 

Het belangrijkste succes behaalde hij echter in de Indianapolis 500. Na drie mislukte pogingen kon niets Lotus en Jim Clark meer afhouden van een historische zege in het belangrijkste race-evenement van de Verenigde Staten. Clark leidde de wedstrijd in de Lotus 38 van start tot finish en was daarmee de eerste Europeaan die de Indy 500 op zijn naam bracht. 

1965 was een aaneenschakeling van successen geweest. Iets waarvan Jim Clark besefte, dat het moeilijk was om te evenaren in het kampioenschap van 1966. Voor dat jaar was Lotus aanzienlijk minder goed voorbereid. Vanaf het seizoen 1966 werd de overstap gemaakt van 2,5 liter naar 3 liter-motoren en het werd al snel duidelijk dat Coventry Climax hierbij de plank volledig had misgeslagen. Het bedrijf was lange tijd besluiteloos over het te kiezen concept en verloor daardoor terrein ten opzichte van de concurrentie. Die kwam vooral van Brabham, dat met Repco een uiterst krachtige 3-liter V8 had ontwikkeld. Het zou voor Clark een uiterst moeizaam seizoen worden waarin al snel duidelijk werd, dat hij zijn titel niet zou prolongeren. In de eerste twee wedstrijden moest hij met mechanische problemen naar de kant. In Frankrijk zou hij niet aan de start verschijnen, nadat hij bij hoge snelheid een aanvaring beleefde met een vogel. Hij werd daarbij in het gezicht geraakt. De daaropvolgende wedstrijden ontbrak hem het geluk opnieuw. Alleen in Watkins Glenn stond hij dat jaar op de hoogste trede van het podium. Lotus had op dat moment de tegenvallende Climax-motor ingeruild voor een krachtbron van BRM. 

De resultaten waren Colin Chapman en de zijnen niet licht gevallen en voor het nieuwe jaar stonden er een aantal grote veranderingen op stapel. Na diens vertrek bij BRM had Chapman Graham Hill vastgelegd. Na jaren van felle strijd op de baan werden ze nu teamgenoten. Bovendien maakte het team na de tegenvallende resultaten van de Coventry Climax-krachtbron de overstap naar Ford, waar het de beschikking kreeg over de roemruchte DFV-motoren; een concept dat de Formule 1 in de jaren daarna compleet zou overheersen. Dat was echter in 1967 nog niet het geval. Beide concepten - zowel dat van de Lotus 49 als van de Ford DFV - stonden aan het begin van het ontwikkelingstraject. De Lotus bevatte een revolutionaire achterwielophanging, die direct was verbonden aan het motorblok. Dit zorgde in de eerste races van het jaar voor nogal wat mechanische problemen. Toch was het potentieel overduidelijk aanwezig. Jim Clark won de Grand Prix van Nederland op Zandvoort met veel bravoure en een paar weken later won hij voor de vijfde keer de Grand Prix van Engeland, een absoluut record. Hij sloot het seizoen 1967 af met overwinningen in Mexico en Watkins Glenn, maar kon door de uitvalbeurten geen front vormen tegen Team Brabham, dat in de laatste wedstrijd het kampioenschap besliste in het voordeel van Nieuw-Zeelander Denny Hulme.

Voor 1968 leken alle voortekenen te wijzen op hernieuwde successen van Team Lotus. Colin Chapman had de Lotus 49 met succes doorontwikkeld en zowel Clark als Hill zinden op revanche. De seizoensopener in Kyalami, Zuid-Afrika werd door Clark op dominante wijze gewonnen. In een direct duel versloeg hij teamgenoot Graham Hill, die uiteindelijk op afstand als tweede finishte. Het zou zijn laatste zijn. Op 7 april raakt de Lotus van Clark op raadselachtige wijze bij hoge snelheid van de baan in de trainingen voor een Formule 2-race op Hockenheim. Wat volgde, was een moment, waarop de altijd dynamische autosport even stil stond, toen ze kennis nam van de dood van een van haar grootste helden in de naoorlogse racerij. 

De invloed van de tijd heeft, vijfendertig jaar na zijn dood, weinig sporen meer nagelaten van zijn successen. Slechts enkele monumenten wijzen latere generaties op de bewondering die men had voor zijn fenomenale wagenbeheersing en sterke charisma. Desondanks zal Jim Clark bleef bij hen die het meegemaakt hebben voor altijd een legende blijven.

 

 

Jim Clark gold als het wonderkind van zijn generatie.

 

 

'Jim Clark, Farmer en auto-coureur' prijkt er op zijn graf in Chrinside, Schotland.

 

 

Lotus teambaas Colin Chapman zag in Clark het talent van de toekomst.

 

 

Zijn fenomenale wagenbeheersing werd al vroeg in zijn carrière duidelijk, op een nat Aintree in 1961.

 

Clark won zijn eerste Grand Prix op Spa Francorchamps op dominante wijze.

 

 

Lotus volgde in 1963 het voorbeeld van Cooper en nam deel aan de Indy 500.

 

 

Clark leek lange tijd op weg te gaan naar de overwinning in Monaco, maar viel uit.

 

 

Zijn zeven overwinningen brachten Clark in 1963 zijn eerste wereldtitel.

 

 

Clark startte in 1965 alle wedstrijden vanaf de eerste startrij.

 

 

De Lotus 33 was in 1965 superieur en hielp  Clark aan zijn tweede wereldtitel.

 

 

Jim Clark en Graham Hill: buiten de races waren ze hechte vrienden.

 

 

Voor altijd een legende...