www.f1-planet.com - Special: Het Strijdtoneel Van Een Revolutie

 

HET STRIJDTONEEL VAN EEN REVOLUTIE

 

  Bijlage: De briefwisseling tussen Max Mosley en Frank Williams en Ron Dennis
       
 

De Formule 1 heeft in de afgelopen maanden een ware revolutie doorgemaakt. Op voorspraak van de FIA werden drastische reglementswijzigingen doorgevoerd, die de sport een complete gezichtsverandering hebben gegeven. Toch is lang niet iedereen even gelukkig met deze reglementswijzigingen. Op de rand van een nieuw tijdperk in de Formule 1 staan de onderlinge verhoudingen op scherp. 

 

 

 

Gedurende het seizoen 2002 raakte men op het Formule 1- paddock er langzaam maar zeker van doordrongen dat het zo niet langer kon. Binnen twaalf maanden had de sport twee teams verloren en tenminste twee andere teams vochten om hun voortbestaan. Wanneer er niets gedaan werd, dreigde de sport aan haar eigen succes ten onder te gaan.

Aan het einde van de jaren '90 had de sport namelijk zodanig geprofiteerd van de hoogconjunctuur dat de bestedingen van de teams aanzienlijk toenamen. De verhevigde competitie, die mede door de steeds grotere inbreng van de fabrikanten was ingezet, vergde het uiterste van de teams. Die zagen zich echter gesteund door de grote belangstelling die er was vanuit het bedrijfsleven. Zelfs de kleinste teams konden profiteren van deze uitzonderlijke hoogconjunctuur.

Een en ander werd nog eens versterkt door de explosieve groei van inkomsten uit uitzendrechten. Bernie Ecclestone had in de loop van de jaren '90 zijn eigen digitale tv-imperium opgericht. Voor veel geld werden de rechten voor deze exclusieve tv-beelden ondergebracht bij abonneezenders. Hiermee dacht hij de belangrijkste investering voor de toekomst van de sport te hebben gedaan.

Tenslotte zou met een beursgang van SLEC, het bedrijf van Ecclestone dat de commerciële rechten van de F1 beheert, de kroon op het werk gezet worden. Die zou de Formule 1 een enorme kapitaalinjectie opleveren. Deze beursgang werd echter verboden door de Europese Commissie, die oordeelde dat Ecclestone een te machtige positie had ingenomen in het imperium. Behalve de eigenaar van de commerciële rechten was hij tot 1997 vice-voorzitter geweest van de FIA en had daarmee een dubbelrol vervuld die naar het oordeel van de FIA belangenverstrengeling in de hand werkte. Bovendien was men niet te spreken over de monopoliepositie die Ecclestone had met betrekking tot de uitzendrechten.

In plaats van de geplande beursgang verkocht Ecclestone 50% van de SLEC-aandelen voor $1,67 miljard aan het Duitse media-concern EMTV. Al snel kwam echter een boekhoudschandaal aan het licht dat dramatisch ten koste ging van het vertrouwen van de beleggers in EMTV. Het bedrijf zou via een overname in handen komen van mediamagnaat Kirch, die in Duitsland abonneetelevisie exploiteerde.

Wereldwijd bleven de resultaten van abonneetelevisie zeer beperkt. Ook in Duitsland, waar Kirch in de loop van 2001 in serieuze financiële problemen geraakte. In het begin van 2002 ging het bedrijf in surséance van betaling, wat verstrekkende gevolgen had voor de Formule 1. Het 50%-belang kwam nu in handen van een consortium van banken, die vorderingen hadden op Kirch. 

Ondertussen was de groei van de economie danig vertraagd. De aanslagen van 11 september 2001 versterkten het gevoel van economische onzekerheid, wat dit effect nog verder versterkte. De Formule 1-teams leden hier sterk onder. Veel sponsorcontracten stonden op het punt van aflopen en potentiële sponsors trokken zich terug. Dit vormde de aanleiding voor de ondergang van Prost.

Onder het verslechterde economische klimaat kregen de overgebleven teams te kampen met het hoge uitgavenpatroon dat zich in de loop van de jaren had ontwikkeld. Diverse teams waren in hun personele omvang verdubbeld, maar moesten het met aanzienlijk minder inkomsten stellen. Arrows zou hierdoor het seizoen 2002 niet kunnen afmaken en moest definitief het veld ruimen. Ook in het kamp van Bernie Ecclestone vielen klappen. Bakerville, het digitale TV-compound werd aan het einde van vorig seizoen definitief opgeheven, nadat pay-per-view ook in Engeland niet was aangeslagen.

 

Voor FIA-president Max Mosley was dit alles reden om de teambazen op te roepen om in overleg te treden over de veranderingen die de toekomst van de sport zouden waarborgen. Behalve het drukken van de kosten pleitte hij tevens voor maatregelen die de spanning in het kampioenschap zouden terugbrengen. De teambazen bleken echter niet tot constructieve en, in de ogen van Mosley, effectieve voorstellen te komen. 

De toekomst van de sport geldt dan ook als een van de gevoeligste onderwerpen binnen de Formula 1 Commission, de commissie die de teambazen verenigt. Ten grondslag aan dit verband ligt de Concorde Overeenkomst, die de teams voor langere tijd bindt aan de sport. Deze overeenkomst bevat eenduidige, voor de buitenwereld veelal niet bekende afspraken met betrekking tot de algemene voorwaarden van deelname, de verstrekkingen van reiskostenvergoedingen, prijzengelden en televisieinkomsten. 

Er heerst onder teambazen echter nogal verdeeldheid over de toepassing van een aantal bepalingen. Zo vormde de verdeling van de televisiegelden vorig jaar een punt van discussie, nadat Prost Grand Prix failliet was gegaan. Diverse teams streefden naar een verdeling van het geld, terwijl Minardi, als volgende in de voedselketen, claimde recht te hebben op dit geld. Het team zou dit bedrag hard nodig hebben om niet eenzelfde lot tegemoet te zien.

Ten grondslag aan de verdeeldheid over de bepalingen over de toekomst liggen de grote verschillen in belangen. Binnen de Formule 1 zijn in dit kader vijf belangrijke partijen te onderscheiden:

In de eerste plaats: de FIA. Als overkoepelende organisatie en toezichthouder op de sport streeft de 'Federation Internationale de l'automobile' naar het handhaven van de sport, houdt het toezicht op de naleving en implementatie van reglementen en draagt het belangrijke zorg voor de veiligheid. 

In de tweede plaats zijn er de fabrieksteams. Zij handelen primair voor het handhaven van en de verbetering van hun positie. Dit zowel op als naast de baan, want zoals bekend hebben de topteams meer macht dan de kleinere teams. Tevens komen de fabrieksteams op voor de belangen van de betrokken fabrikanten.

Zij vormen de derde groep stakeholders. De fabrikanten gelden als de belangrijkste investeerders in de sport. Samen investeerden de fabrikanten in het seizoen 2002 naar verluidt zo'n $1 miljard in de sport. Voor de fabrikanten geldt de Formule 1 als het platform om hun expertise te tonen en direct de strijd aan te gaan met concurrenten. In de eerste plaats telt echter de media-aandacht die men hiermee vergaart, wat een positief effect heeft op de verkopen. 

In de vierde plaats is er de kleine groep 'privateers': teams die het zonder fabriekssteun moeten doen. Dit betreft Jordan (hoewel dit team enige steun krijgt van Ford), Minardi en Sauber. Deze teams strijden in deze moeilijke tijd vooral voor de handhaving in de sport. 

Tenslotte vormt Bernie Ecclestone de vijfde partij. Het is in zijn belang dat de Formule 1 in stand blijft en een zo groot mogelijke media-aandacht blijft genereren. Dit is van vitaal belang voor het aantrekken van nieuwe investeerders. Zijn positie is uiterst lastig, want hoewel hij als een vorst lijkt te heersen, moet hij iedereen zoveel mogelijk te vriend houden. Niet onlogisch nam hij dan ook een opvallend neutrale en voor de buitenwereld passief ogende houding aan in de discussies van de afgelopen maanden.

Aangezien de verhoudingen zeer gecompliceerd liggen, bleven concrete voorstellen van de teambazen lange tijd uit. Gezien de noodzaak van verandering nam FIA-president Max Mosley op 28 oktober het voortouw. Hij maakte een aantal rigoureuze reglementswijzigingen bespreekbaar, waardoor de Formule 1 op een aantal punten een aanzienlijke gedaanteverandering zou doormaken. De teams gingen schoorvoetend akkoord met de voorgestelde wijzigingen, die vooral betrekking hadden op de procedures. Kritisch waren zij wel over de voorstellen die Mosley tevens had gedaan voor de jaren na 2003. Met name het voorstel om met duurzamere motoren te racen en gebruik te maken van standaard onderdelen stuitte op weerstand van de fabrieksteams, die hier een belangrijke zaak hoog te houden hadden als vertegenwoordigers van hun motorenpartners.

Verrassend genoeg bleef het niet bij deze serie maatregelen. Op 15 januari maakte Max Mosley opnieuw een aantal wijzigingen bekend. Deze keer drastischer dan voorheen en, gezien hun aard, was hierover zeer weinig dialoog gevoerd met de teambazen. De wijzigingen betroffen onder andere een verbod op elektronica en telemetrie. Er volgde in de media een storm van kritiek. Voornamelijk van de topteams, die bestreden dat dergelijke maatregelen aantoonbare kostenbesparingen zouden opleveren. Frank Williams en Ron Dennis dreigden in een open brief zelfs een rechtszaak aan te spannen tegen de FIA.

Daarmee was het reglement nog niet compleet, want twee weken later maakte Mosley bovendien bekend dat er tussen de kwalificatie en de race nog maar zeer beperkt aan de auto's mag worden gewerkt.

Met name de timing en de wijze waarop de FIA de maatregelen had gepresenteerd riepen grote vraagtekens op. Iedere vorm van overleg leek, gezien de grote hoeveelheid rigoureuze maatregelen in een relatief kort tijdsbestek, te zijn uitgebleven. Mosley ging ook sterk in de verdediging van zijn punten. De visie die hij hierbij uitdroeg bevestigde de vermoedens. Die staat lijnrecht tegenover die van de fabrieksteams en de fabrikanten: "Het publiek is niet geïnteresseerd in de technische achtergrond van het kampioenschap, maar in de rijders". Hij gaat zelfs zo ver, dat hij de positie van de fabrikanten in de sport openlijk in twijfel trekt: "De motorfabrikanten hebben een geschiedenis van komen en gaan in de auto sport. We moeten niet zo naïef zijn ons afhankelijk van de fabrikanten op te stellen".

Wat drijft de FIA-president tot dergelijke uitspraken? Uitspraken, die de onderlinge verhoudingen niet bepaald ten goede komen. De reglementswijzigingen zorgden hier en daar voor grote opschudding. De oproep van Mosley om de aandacht te richten op het stimuleren van nieuwe onafhankelijke teams stuitte op verontwaardiging van Toyota. De toetredingsbijdrage van $48 miljoen zou in Mosley's visie kunnen worden geschrapt om de drempel van toetreding te verlagen. Dit, terwijl Toyota amper twee jaar geleden dit niet geringe bedrag heeft moeten voldoen en tot op heden volgens het Concorde Verdrag nog altijd niet deelneemt in de verdeling van de televisiegelden.

Nadere bestudering van de voltrokken feiten leert, dat de FIA door de teambazen is genegeerd in de bespreking van de reglementsvoorstellen. Op 4 december kwamen de teambazen bijeen.  De originele agenda, die door de FIA was opgesteld, betrof de bespreking van de reglementsvoorstellen. De teambazen besloten echter tot een vergadering zonder aanwezigheid van de FIA om tegenvoorstellen te ontwikkelen. Van een constructieve dialoog tussen de FIA en de teambazen is geen sprake geweest.

Dit alles lijkt op het spits te worden gedreven, nu Ron Dennis en Frank Williams claimen dat de FIA tegen de bepalingen van het Concorde Verdrag heeft gehandeld. Een bevestigend vonnis zou de chaos compleet kunnen maken. Zowel de reglementen als het Concorde Verdrag kunnen daarmee op losse schroeven komen te staan. 

De hetze lijkt het doorzetten van de plannen voor het GPWC, een nieuw kampioenschap dat zou worden gerund door de fabrikanten zelf, in de hand te werken. Deze bevinden zich in een cruciale fase, aangezien het GPWC van start zou gaan in 2008 wanneer het huidige Concorde Verdrag afloopt.

Het is dan ook weinig verrassend dat Bernie Ecclestone de teams heeft opgeroepen om samen te komen voor besprekingen over een nieuw Concorde Verdrag. Zijn rol in dit alles is formeel gezien hoogst onduidelijk. Hoewel hij Mosley zijn steun heeft toegezegd, heeft de 72-jarige Ecclestone zich verder opvallend in stilzwijgen gehuld. Gezien zijn positie als organisator is dit niet verrassend, maar het heeft er alle schijn van dat niet Mosley, maar Ecclestone de drijvende kracht is achter de reglementswijzigingen. Het ligt in Ecclestones traditie dat er een haat-liefde-verhouding wordt onderhouden met de fabrikanten. Enerzijds beseft Ecclestone als geen ander dat hij de fabrikanten nodig heeft, maar anderzijds is hij niet van plan zijn macht aan hen op te offeren. 

De reglementswijzigingen lijken, buiten de bedoeling om de kosten te drukken en het kampioenschap spannender te maken, ook nog een derde doel te dienen: als strategische zet van Ecclestone richting de fabrikanten. Hij weet dat zij nog tenminste vijf jaar gebonden zijn aan het Concorde Verdrag en bovendien de media-aandacht en het gezichtsverlies niet zouden riskeren om dit te negeren. Het vormt voor Ecclestone een sterke basis voor de onderhandelingen over een nieuw Concorde Verdrag, aangezien hij nog maar eens duidelijk heeft gemaakt wie de touwtjes in handen heeft. 

Het zal echter afwachten zijn of dit inderdaad het geval is en zo ja hoe dit zal uitpakken. Een feit is in ieder geval dat het seizoen 2003 ondubbelzinnig in het teken staat en zal blijven staan van het strijdtoneel dat is ontketend naar aanleiding van de reglementenrevolutie.   

 

 

Prost ging tenonder door de afnemende interesse van sponsoren.  

 

 

 

FIA-president Max Mosley pleitte voor radicale veranderingen in de sport en zou deze ook doorvoeren. 

 

 

 

 

Paul Stoddart claimde recht te hebben op de TV-gelden van het vergane Prost Grand Prix.

 

 

 

 

De fabrieksteams komen op voor de belangen van de betrokken fabrikanten.

 

 

 

 

Frank Williams en Ron Dennis dreigden in een open brief de FIA voor de rechter te slepen.

 

 

 

Mosley trekt de positie van de fabrikanten in de sport openlijk in twijfel.

 

 

 

Williams en McLaren zetten met name hun vraagtekens bij de nieuwe parc ferme-regel.

 

 

 

Bernie Ecclestone heeft zich opvallend weinig in de discussie gemengd.